Roofs 2026-03-62“Overal in ons land vind je nog middeleeuwse kappen”

p. 62

AAN TAFEL MET… GABRI VAN TUSSENBROEK

“Overal in ons land vind je nog middeleeuwse kappen”

In deze rubriek laat Roofs personen van binnen en buiten de dakenbranche aan het woord. De insteek is om de visie en de persoon achter die visie voor het voetlicht te brengen.

Tekst: Nolanda Klunder

De middeleeuwen eindigden 500 jaar geleden; toch zijn er nog altijd daken uit die tijd te vinden in ons land. “De schatting is dat er nog enkele duizenden zijn”, vertelt Gabri van Tussenbroek, bouwhistoricus bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en hoogleraar Stedelijke identiteit en monumenten aan de Universiteit van Amsterdam. “De dakbedekking is in de loop der 
eeuwen herhaaldelijk vervangen, maar de originele kapconstructies zijn regelmatig bewaard gebleven. Middeleeuwse kappen vind je niet alleen in kerken, maar ook nog in woonhuizen aan bijvoorbeeld de  Oude Gracht in Utrecht of de Polstraat in Deventer.”

SPOREN‑ EN SPANTENKAPPEN

De oudste daken hebben een kap die bestaat uit twee sporen die tegen elkaar steunen, waartussen een haanhout wordt bevestigd zodat de sporen niet uit elkaar worden gedrukt door het gewicht van de dakbedekking. Van Tussenbroek: “Zulke ‘sporenkappen’ zijn vrij zeldzaam: we hebben in ons land nog ongeveer 75 daken met deze constructie, uit de periode tot 1350. In die tijd stapt men, vanwege het brandgevaar, van rieten daken over op het gebruik van stenen daktegels.  Dakpannen komen pas in de loop van de vijftiende en zestiende eeuw. Vanwege de zwaardere dakbedekking wordt er een steunconstructie met spantbenen en een dekbalk onder de sporen gezet. Een heel vroeg voorbeeld van zo’n ‘spantenkap’ is de Ridderzaal in Den Haag van rond 1290. Deze kapconstructies zitten zo goed in elkaar dat dit principe eeuwenlang, tot in de negentiende eeuw, gebruikt werd. En als een huis niet werd verwoest door brand, storm of oorlog, kon de kap tot in onze tijd blijven staan.”

OP DE GROND

Op de middeleeuwse bouwplaats werd het dak op de grond gemaakt. “De timmerman wilde de kap niet helemaal in weer en wind op de bovenste verdieping maken”, vertelt Van Tussenbroek. “Dus hij zette de dakconstructie in elkaar op de grond. Vervolgens merkte hij alle onderdelen van voor naar achter: spant 1, spant 2, spant 3… Daarna haalde hij alles uit elkaar en werden de stukken naar boven getakeld. Op basis van de assemblagemerken werd daar het dak spant voor spant weer in elkaar gezet. De volgorde luisterde heel nauw. Als je nu een bouwpakket van Ikea in elkaar zet, kun je de bovenste en de onderste la verwisselen, maar alles was toen handwerk en dus uniek: twee handgemaakte pen-en-gat-verbindingen zijn nooit exact hetzelfde, dus de pen uit het ene spant past niet naadloos in het gat van de tweede spant. Het was dus belangrijk om alles precies zo in elkaar te zetten als hoe het op de grond was gemaakt.” Het hout kwam van verschillende bronnen. “In de late middeleeuwen was de Europese houtmarkt gedifferentieerd. Voor krom hout voor de spantbenen moest je bij een handelaar zijn die hout uit het Maasgebied of Westfalen had. Planken voor vloeren of daksporen maakte je van hout uit bijvoorbeeld Scandinavië en goede kwaliteit eikenhout voor fraaie betimmeringen kocht je bij een handelaar die actief was in het Baltische gebied. De timmerman wist precies welk soort hout hij bij wie moest aanschaffen.”

BEWAARD

Hoe kan het dat middeleeuwse kappen eeuwenlang onaangetast zijn gebleven? Van Tussenbroek:  “De ruimte onder de kap was tot in de twintigste eeuw meestal geen woonruimte maar bedoeld voor opslag van voedsel of turf. De wind kon door de 
ruimte blazen, vocht en droogte wisselden elkaar af, het hout kon dat prima hebben. En omdat de zolder geen woonfunctie had, bleef die ongewijzigd als een huis werd verbouwd. Daardoor hebben we nog steeds zoveel originele kappen.” Dat geeft ons de verantwoordelijkheid om goed voor de kappen te zorgen. Daarover is Van Tussenbroek uitgesproken: “Historische panden moeten gewoon gebruikt blijven worden. Het gebruik waarborgt het onderhoud en daarmee het voortbestaan.” Dat plaatst ons wel voor dilemma’s rondom de isolatie van het dak. “Ga je het dak aan de binnenkant inpakken, dan sluit je allerlei elementen op en onttrekken eventuele problemen met vocht of ongedierte zich aan het zicht. Ventilatie wordt 
dan heel erg belangrijk. Isoleer je aan de buitenkant, dan komt het dakpakket hoger te liggen, met alle aansluitingsproblematiek van dien. Wat je met de kap moet doen, is altijd maatwerk. Soms is het verstandig om hem met rust te laten. Dan kun je de ruimte onder de kap dus niet comfortabel benutten. Vanuit het oogpunt van exploitatie is dat een onaantrekkelijke gedachte. Maar je kunt je misschien troosten met het besef dat de mensen vijfhonderd jaar eerder in het pand die zolder ook voor niets anders dan opslag gebruikten.”

GELAAGDHEID

Van Tussenbroek schrijft veelvuldig voor een breder publiek over bouwgeschiedenis. Deze maand verschijnt zijn nieuwste boek, De onzekere wereld van Reyer Dircxz, over de lotgevallen van een reizende houthandelaar in de vijftiende eeuw. Zijn boek De toren van de Gouden Eeuw, over de plannen om in de zeventiende eeuw een enorme toren bij de Amsterdamse Nieuwe Kerk te bouwen, was in 2018 genomineerd voor de Libris Geschiedenis Prijs. Een ander opvallend boek van zijn hand is Muizentanden en steunberen, dat vorig jaar verscheen: een kinderboek over bouwen in de middeleeuwen, rijk geïllustreerd met gedetailleerde afbeeldingen door Joris Snaet. “Als ik voor een breder publiek schrijf, vraag ik me meer dingen af en verplaats ik me helemaal in bijvoorbeeld een timmerman: welke constructie ontwierp hij, hield hij zich aan zijn ontwerp of plaatste hij al werkend extra balken? Hoe kwam hij aan zijn hout, wanneer en waar is dat hout gekapt, was het allemaal dezelfde houtpartij?” Van Tussenbroek studeerde middeleeuwse geschiedenis en kwam via een stage bij de bouwhistorische dienst van ’s-Hertogenbosch in aanraking met bouwhistorie. “Ik ontdekte toen dat er achter heel veel jongere gevels oudere gebouwen staan. Dat heeft me gegrepen en nooit meer losgelaten. Een stad heeft een enorme gelaagdheid. In de loop der eeuwen breidde een stad zich uit en kromp hij tijdens recessies weer in. Bij verbouwingen bleven onderdelen van panden onaangetast. Al die lagen kun je leren lezen en begrijpen.”

GABRI VAN TUSSENBROEK IN ZES VRAGEN

Wat heb je zelf voor dak? 
Ik heb een plat betonnen dak. Dit is het negende dak in mijn leven.
Wat doe je als je niet werkt? 
Ik wandel en lees. Ik lees niet alleen over mijn vakgebied, maar lees van alles en nog wat. Ik laat me graag verrassen door wat ik tegenkom.
Wat is je favoriete stad? 
Ik heb geen favoriete stad. Er zijn zo veel mooie steden, en ze zijn allemaal prachtig op hun eigen manier: Parijs, Brussel, Lübeck... Voor mij zijn steden het mooist als ze een zekere historische gelaagdheid bezitten en toch een eenheid zijn.
Wat is je favoriete gebouw of architect? 
Ik hou van gebouwen als ze me verrassen, als er onvermoede verhalen in zitten waar ik iets van kan leren. Bijvoorbeeld de Berlijnse muur, de Dom van Erfurt, de Nicolaaskapel op het Valkhof.

Wat is voor jou het ultieme dak? 
De kap van de Oosterkerk in Amsterdam maakte diepe indruk op me. In kerkgebouwen in het westen van Nederland onttrekt het tongewelf de kapconstructie aan het zicht. Maar als je in de zeventiende-eeuwse Oosterkerk binnenkomt, zie je die imposante constructie direct.
Waar ben je in je werk het meest trots op? 
Ik ben niet trots maar tevreden, bijvoorbeeld als ik eraan kan bijdragen dat bouwhistorisch onderzoek als volwaardige discipline onderdeel is bij de restauratiepraktijk en zo bijdraagt aan de kwaliteit van transformatie. Maar ook als ik studenten een stukje op weg kan helpen en zie dat ze plezier hebben in het vak.

Deel dit artikel

AI Assistent Stel je vraag

AI Assistent

Online

👋

Welkom bij de AI Assistent!

Stel me vragen over dakdekken, isolatie, materialen en meer. Ik help je graag verder!

Probeer bijvoorbeeld:

0/500 Druk op Enter om te versturen