“Pfff… was het maar morgen”
In deze rubriek geeft Theo Wiekeraad zijn mening over de dakenbranche en aanverwante onderwerpen.
Iedereen vraagt zich weleens af wat een goede manager doet en of hij er zelf één is. Snuffel dan eens rond in de managementboeken en cursusboeken die je door de jaren heen hebt verzameld. Of beter nog: surf een halfuurtje op internet. Daar wordt je vraag vanuit duizend-en-een invalshoeken belicht en beantwoord. Al snel blijkt dat jij niet de persoon bent die daarin wordt omschreven. Sterker nog: je kent geen mens die aan dat beeld voldoet. Je denkt dan vast: “Hoe heb ik het in hemelsnaam zo ver kunnen schoppen?” Bij vier criteria waaraan je moet voldoen, lukt dat nog aardig; die kun je redelijk op jezelf projecteren. Maar bij een opsomming van zeven, tien of meer ga je denken: “Dit gaat hem niet worden. Verwachten mijn leidinggevenden echt dat ik daaraan voldoe? Denken die jongens en meiden om mij heen dat ik zo ben? Dan zijn ze niet wijs, hoor!” Alleen iemand die zich als een feilloos geprogrammeerde robot over de werkvloer beweegt, zou aan al die eisen kunnen voldoen. Zo’n persoon ben jij niet!
Geen enkel artikel of boek dat ik heb ingezien, begint met het gegeven dat een manager een mens van vlees en bloed moet zijn: een persoon zoals ieder ander op de werkvloer, maar met eigenschappen die hem geschikt maken om déze groep te leiden. Voor die groep moet hij of zij - dit voor één keer, anders wordt het een onleesbaar verhaal - de geaccepteerde leider zijn. Hij enthousiasmeert, ondersteunt en begeleidt de mensen op de werkvloer en staat voor hen klaar wanneer dat van hem wordt gevraagd. Verder zorgt hij ervoor dat de werkomstandigheden zo goed mogelijk zijn, zodat zijn mensen kunnen presteren. Moeilijker kan ik het niet maken.
Een goede manager is dus in de eerste plaats een mens, met alle menselijke eigenschappen die daarbij horen. Hij toont begrip en medeleven voor zijn collega’s en hun naasten. Hij laat anderen merken dat ze ertoe doen, niet alleen als werknemer, maar zeker ook als persoon. Hij laat zijn collega’s in hun waarde en geeft hun ruimte om te rouwen of op zijn tijd iets te vieren. Daarbij is hij eerlijk en oprecht tegenover de groep. Zo kan hij een collectief vormen met een sterk groepsbesef. De gedachte “we doen het voor elkaar” - of, in managementjargon, “één plus één is meer dan twee” - is goed voor de sfeer. En een fijne werksfeer werkt productieverhogend. De echte manager voelt zo’n groep aan en zit dicht op
het werk, maar nooit te strak. Hij begrijpt dat het soms beter is om een oogje toe te knijpen. Niet bij een blunder en zeker niet wanneer er gevaar ontstaat. Iedereen weet: hij heeft het gezien. De manager weet het ook, maar laat maatregelen achterwege. Je bent een manager en geen dictator. Je mensen zien dat je voor hen staat en daardoor stijg je binnen de groep in aanzien.
Zo, in jip-en-janneketaal, lijkt het allemaal eenvoudig. Voor een echt goede manager is juist het managen van mensen het leukste onderdeel van zijn werk. Maar managers in spe, let op! Naast je eigen groep komt er vanuit de techniek en vanuit externe partijen nog zoveel gezeik om de hoek kijken, dat zelfs de beste managers weleens denken: “Pfff… was het maar morgen.”